donderdag 22 april 2010
woensdag 21 april 2010
het versdrama op het toneel
zaterdag 3 april 2010
nathan bauman over euripides' orestes
woensdag 31 maart 2010
biografie euripides

Euripides, Eu)ripi/dhj, zoon van den Athener Mnesarchides, op den dag van den slag bij Salamis op dat eiland geboren, de derde der groote attische treurspeldichters. Zijne ouders waren, naar men beweerde, van zeer geringen stand; dit wordt echter tegenwoordig tegengesproken; zijne moeder, Clito, Kleitw/, was zelfs van adel; hij genoot dan ook eene zeer goede opvoeding. In zijne jeugd legde hij zich op de gymnastiek en schilderkunst toe, later werd hij een leerling van Anaxagoras, een toehoorder van Prodicus en Protagoras en een vriend van Socrates. Zijne werken toonen den invloed van zijne philosophische studiën: zij munten uit door groote kennis en juiste schildering van karakters en hartstochten en bevatten vele treffende tooneelen; daarentegen missen zij den verheven eenvoud van de stukken van Aeschylus en Sophocles; zij zijn niet meer ontleend aan de algemeen bekende mythen, maar geven dikwijls een oorspronkelijke, soms zeer romantische, bewerking van een of andere bizonderheid daaruit, zoodat meestal een proloog de toeschouwers moet inlichten over den inhoud van het stuk en de betrekkingen tusschen de handelende personen. Zijn helden toonen in hun denken en handelen meer de eigenschappen van gewone menschen; ook wordt de handeling telkens afgebroeken door wijsgeerige bespiegelingen, terwijl ook de koorgezangen niet meer met het stuk zelf samenhangen, maar geheel als bijzaak behandeld zijn; de ontknooping is dikwijls niet op eene natuurlijke wijze te vinden, zoodat de tusschenkomst van een god - deus ex machina - noodig wordt. Op godsdienstig gebied verkondigt hij soms stellingen, die met het volksgeloof in strijd zijn; op lateren leeftijd schijnt hij echter tot de algemeen gangbare meeningen daaromtrent teruggekeerd te zijn, of ingezien te hebben, dat het nutteloos was den strijd er tegen voort te zetten. Om al deze redenen, ook naar aanleiding van allerlei nieuwigheden in metriek en muziek, die hij op het tooneel bracht, werd hij door Aristophanes en andere blijspeldichters meedoogenloos gehekeld als de vertegenwoordiger van alles, wat zij in den geest van hun tijd afkeuren; over het geheel kon hij zich niet beroemen grooten bijval gevonden te hebben: slechts vijfmaal verkreeg hij den eersten prijs (het eerst in 441), terwijl hij 92 (volgens anderen 98) stukken geschreven heeft, waarvan het eerste reeds in 465 is opgevoerd. Na zijn dood vonden zij echter de grootste bewondering en vielen juist zijne eigenaardigheden, die hem van de andere groote treurspeldichters onderscheiden, in den smaak van het publiek. -
Ook zijn huiselijk leven gaf hem weinig stof tot tevredenheid: zoowel in zijn eerste als zijn tweede huwelijk was hij ongelukkig; zijne eerste vrouw verstiet hij wegens ontrouw, zijne tweede vrouw verliet hem. Met staatszaken bemoeide hij zich niet; toch schijnt hij weinig ingenomen te zijn geweest met de richting, die men te Athene na den dood van Pericles had ingeslagen, en dikwijls liet hij zijne ontevredenheid door een van de personen zijner stukken uitspreken. Op het einde van zijn leven gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging van koning Archelaüs van Macedonië, aan wiens hof hij groote eer genoot; in 406 of 405 stierf hij er. -
Van zijne werken bestaan nog 18 treurspelen en 1 satyrdrama. De meest bekende hiervan zijn: Alcestis (opgevoerd 438), Medeía (431), Hippolytus (428), Ifigeneia […].
Ook een neef van den grooten dichter, die denzelfden naam droeg, trad als treurspeldichter op, naar het schijnt met weinig geluk. Zijn zoon, die ook Euripides heette, heeft enkele stukken van zijn vader na diens dood doen opvoeren.
[Bron: Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid
door Dr. J.G. Schlimmer en Dr. Z.C. de Boer. Tweede druk herzien door Dr. Z.C. de Boer en Dr. C.G.Th.W. Koch. Derde druk herzien door Dr. C.G.Th.W. Koch, conrector van het Gymnasium te Tiel. Met houtgravures tusschen den tekst. Haarlem. De Erven F. Bohn. 1920.]
summary Orestes - Euripides
An exhausted Electra bewails her fate as an outcast before her own house, guardian of Orestes who is maddened by the Furies. The city will today vote on their lives. But Menelaus has just arrived from the war, offering hope of reinstatement or at least rescue.
A rather empty-headed Helen (her first comment to the distressed Electra is her sadness that she is unmarried!) asks Electra to make a sacrifice for her to Clytemnestra. Electra is indignant, but suggests Hermione as an alternative. Hermione departs for the tomb.
The Chorus of Argive women enter and Orestes awakens, in a frenzy; then the fit passes. Menelaus enters, and considers Orestes' plea for help. Tyndareus arrives, disgusted at the sight of Orestes: that Clytemnestra was wrong does not matter, for murder must be met with law and banishment if the cycle of revenge is to be stopped. Orestes' defense is a confused jumble of arguments used in the Oresteia (my father was the true agent of my birth, my mother corrupted his bed, all wives will kill their husbands if I am punished). Tyndareus vows emnity if Menelaus aids Orestes. Menelaus declines military assistance, but will speak for him in the assembly.
Pylades enters, banished from Phocia for his part in the murder. The will go to the assembly and Orestes will argue his case before the people.
A messenger announces to Electra the scene at the assembly: Menelaus did not speak; Orestes was only able to convince the people not to stone them but to allow suicide. Orestes and Electra discuss how to kill themselves.
Pylades suggests that they kill Helen and take Hermione hostage. Orestes and Pylades enter the palace. Meanwhile, Electra and the chorus lay in wait for Hermione, and when she returns from the tomb, they hand her over to Orestes and Pylades. A Phrygian servant announces (in broken Greek) the scene: O. and P. pretended to supplicate Helen to intervene for them with Menelaus; then once she was alone they tried to murder her, but she was apotheosized.
Menelaus arrives in rage and fear. Orestes and Pylades appear on the roof with swords threatening Hermione, while Electra waves a torch and threatens to burn down the house. Apollo appears, ex machina, and announces the apotheosis of Helen; that Menelaus must calm himself and marry again; that Orestes must seek justice in Athens and then marry Hermione (!); that Electra and Pylades must marry. He will reconcile Argos to Orestes. Orestes rejoices and releases Hermione. Menelaus happily betroths his daughter to her erstwhile murderer. At peace, they depart.




